Over opgroeien met een moeder met een bipolaire stoornis, en de bange jongen die altijd peilde of het klopte.
“Hoe bang ben je geweest voor de gekte van je moeder?”
Het was de vraag die trainer Morten Hjort me op een confronterende toon stelde.
Kort ervoor was ik in de ontmoeting met hem hard gecrasht in mijn eigen binnenwereld.
In de opening van het modelleringsinterview had ik als een bibberende vliegtuigpiloot een paar meta-vragen gesteld — over toen, en over de verte.
“Ik vind het saai”, was zijn antwoord op mijn aanvliegroute.
Hoe doe je dat — samen, en zó dichtbij kunnen komen? Het was de leervraag die ik vooraf had geformuleerd.
En nu zat ik ineens bevroren op een bank, in een kleine ruimte achter in een van de trainingslocaties aan de Nieuwegracht in Utrecht. Een fysieke afstand van 3 meter die opeens niet meer te overbruggen was. Fucking pijnlijk.
Voor mijn gevoel deed hij nog pogingen om iets van een volwassen conversatie op gang te krijgen. Maar het goede of het kwade was al geschied.
De dag erop uit ik mijn frustratie in de groep.
“Papa, ik ben het langzaam aan het toelaten, ik heb je zo gemist” — dat was de systemische zin die ik eerder had opgehaald. Die zin wilde ik nu aan stukken slaan. Wat nou! “Waar was je, eikel” dekte beter mijn lading.
Uiteindelijk krijg ik de uitnodiging voor een potje armpje drukken op de vloerbedekking. Een herkansing op terugkomen — verticaal, in de mannenogen, op aanwezig. Ook met boos.
Op de vraag over de gekte van mijn moeder had ik in het moment geen antwoord. En in de tijd die volgde ook niet.
Ik stopte de vraag in het bakje “retorische begeleidersvraag met een te overtuigend karakter”.
Daar lag die te verstoffen. Ongetwijfeld tussen de andere vragen waarvan ik me nu niet actief herinner dat ze me ooit zijn gesteld.
* * *
Het is misschien een jaar later.
Ik zit op kantoor achter een pc. Op de achtergrond de radio.
Opeens heb ik de rillingen in mijn lijf. De tranen hangen in de hoeken van mijn ogen.
“Chica cha ha ha.”
Ik ben 17 of 18.
Inmiddels ben ik bekend met de bipolaire stoornis van mama. Het is de klinische uitleg vanuit de cockpit.
In haar depressies weet ik niet waar ze blijft, of ze blijft — daar is ze vooral alleen.
In de manie weet ik niet waar ze naartoe gaat; dat speelt zich veel meer af in de ontmoeting met de ander.
De tussenstukken zijn soms ook goed. Maar iedere grens is onzichtbaar en onzeker.
Eigenlijk zijn veel van bovenstaande woorden van achteraf. Het is een tijd zonder woorden. Of af en toe.
De woorden die ik wissel met mijn zus. Hoe we allebei een antennestation zijn voor hoe het met mama gaat.
Het is de manische kant die me constant op mijn hoede houdt. De grens tussen gewoon, vrolijk, of net iets hoger in energie is code oranje in mijn binnenwereld.
Ze zingt en walst een beetje, licht op haar voeten, in de hoek van de woonkamer. Ze vertelt hoe prachtig ze dit nummer vindt.
Het klopt niet. Boyzone — een boyband met een corrupte tekst. Ervoor, of vroeger, was er Benny Neyman of Robert Long.
Wat écht niet klopt, is dat ik continu met de vraag zit óf het klopt.
En juist dat liedje — was het mama die het mooi vond, of de manie? — staat gegrift op de notenbalk van mijn trommelvliezen.
No Matter What. Een boyband die zong over geloven in je eigen waarheid, hoe hard de wereld ook het tegendeel beweert.
En daar sta ik dan. De jongen voor wie geen enkele waarheid meer vaststond.
* * *
Nu, terwijl ik dit schrijf, kan ik het eindelijk benoemen: hoe bang ik was dat ze zou vertrekken.
Toen niet. Toen was er alleen het antennestation. De code oranje. Het continu peilen of het klopt.
Terugkijkend zie ik het patroon. Mijn ogen waren gericht op het vrouwelijke — een echte moederszoon. Daar kwam de ziekte van mama bij. En de emotionele afwezigheid van mijn vader, juist daar waar ik hem nodig had.
Wat er dan gebeurt, is een beweging naar binnen. Naar alleen. Op je hoede.
Die isolerende beweging kom ik bij veel mannen tegen. Ze is bijna man-eigen.
Overal een antenne voor de ander. Nooit voor wat jíj nodig hebt.
De vraag die al die tijd lag te verstoffen, kan ik eindelijk beantwoorden.
Alleen met die angst erbij kan ik echt in contact komen. Samen. Dichtbij.
Die isolerende beweging ombuigen is precies waar het in mijn coaching voor mannen om draait.
Niet ondánks die bange jongen. Maar mét hem.
En, man — herken je die beweging naar binnen, naar alleen? Weet dan dat je welkom bent. We kijken samen wat er los mag komen. Lees meer over coaching voor mannen →